Lân
fan
taal

Sykje as elkenien nei alles mei trefwurd 
Column Nynke de Jong.

Yn de offisjele iepening fan ús taalpoadium Obe op freed 2 febrewaris droech ús ambassadeur, skriuwster Nynke de Jong in column foar oer har ‘Memmetaal’. Lês it hjir noch efkes rêstich werom!

Memmetaal

In mijn hoofd vechten het Fries en het Nederlands telkens om voorrang. Het gebeurt me op momenten dat ik in het Nederlands probeer uit te leggen dat ik me een beetje lêbich voel, of heal. Als ik wat gremitich ben. Probeer het uit te leggen aan een Hollander, en je komt er niet uit. Het Fries heeft voor veel gevoelens betere woorden. Maar als ik met een diep-Fries spreek, probeer ik uit alle macht de Nederlandse woordjes eruit te houden. Gebruik ik ineens woordjes als ‘bolstjurrich’ en ‘halje trawalje’ om maar duidelijk te maken dat ik heus nog wel een echte Fries ben. Zo slalom ik al jaren tussen mijn twee talen door. Bij Friese vrienden switch ik moeiteloos naar mijn memmetaal. Buiten Fryslan spreek ik bijna accentloos Nederlands.

De lastige momenten komen bij grote emoties. Of bij grote dronkenschap. Na een paar borrels kan ik vaak de drang niet weerstaan om het Simmer 2000-liet te zingen. Ik ken ‘m nog helemaal uit mijn hoofd, en blijkbaar moet die hele tekst gezongen worden, onder dwang van koning alcohol. Het is een drang die te vergelijken is met de ziekelijke neiging van Friezen om aan andere Friezen altijd meteen te vragen waar ze vandaan komen. Een niet te bedwingen gevoel. Je moet het weten. Van wie ben jij er een??? Oh je komt uit Dronrijp? Ken je Piet en Geeske?? Watttt? Ben je familie van Piet en Geeske? Mijn oude buurvrouw is óók familie van Piet en Geeske!!!

Ik woon al heel lang niet meer in Friesland, maar dit ga je er nooit meer uitkrijgen. Altijd het Simmer2000 lied, altijd vragen waar iemand WEG komt. Toen ik zwanger raakte van mijn dochter, nu anderhalf jaar geleden, heb ik er nog even over gedacht om alleen maar Fries tegen haar te praten. Mijn broer, die in Amsterdam woont, doet dat ook bij zijn kinderen, en ik vind het altijd zo lief klinken. Maar toch zag ik snel af van dat idee. Het voelde als buitensluiten, als ik in het bijzijn van mijn Brabantse echtgenoot Fries zou spreken tegen haar. Alsof ik over hem wilde roddelen.

Maar toen werd ze geboren.

En geef de hormonen maar de schuld. Of de morfine. Wellicht had de ruggenprik ook mijn taalcentrum lamgelegd. Ik weet niet hoe het kwam, maar ik kon alleen maar Fries tegen haar spreken. Ik had het alleen maar over us lytse protter. De enige kinderliedjes die ik over de lippen kreeg, waren de berneferskes van Hindrik van der Meer. Efter de pleats fan omke Geart leit in grauwe baarch yn’e sleat. Tegen alle beschuit-met-muisjes-vreters die op de koffie kwamen, sprak ik gewoon Nederlands.

Maar tegen mijn dochter, zo klein als ze was, kon ik met geen mogelijkheid ‘Ik ga slapen ik ben moe’ zingen. Nee, dat moest ‘ik gean sliepen ik bin wurch’ zijn. Het was mijn memmetaal. Alsof ik door haar begin teruggeslingerd werd naar mijn begin. Die wieg, waar zij nu in lag te slapen, was ooit mijn wieg. Alsof ik bij die wieg gratis en voor niks de taal van mijn jeugd kreeg.

Je kunt rationele keuzes maken. Een accent afleren. Verhuizen. Maar de taal van het hoofd staat volledig los van de taal van het hart. Het hart spreekt zoals het zelf wenst te spreken. Daar moet je ook niet tegenin gaan. Dat moet je lekker laten gebeuren. Het is bijgetrokken. Inmiddels praten we Nederlands. Behalve als ik kwaad ben. Dan praat mama Fries. ‘TINK DEROM JANNE’. En als ze gaat slapen. Dan is het ‘Ik gean sliepen, ik bin wurch’ en ‘Sliep seft myn berntsje’.

En als ik het licht uitdoe en de deur dicht, roept mijn dochter tegenwoordig uit zichzelf ‘Oan’t moarn’.

nijs |